The VoC debate

Deze keer reikt Nol Hovens interessant materiaal aan vanuit het Duitse taal gebied: een publicatie van Wolfgang Streeck, van het Max-Planck-Institut für Gesellschaftsforschung (www.mpifg.de): E Pluribus Unum ? (= uit velen een ?), een studie over de ‘Varieties of Capitalism’ (VoC).

Het artikel beschrijft de beweging van economische systemen en modellen tussen convergentie en divergentie:
– na WO II was er convergentie gevolgd door divergentie in de 70-er jaren
– na De val van de Muur was er convergentie gevolgd door divergentie.

Vervolgens komen aan 4 modellen aan de orde, die verschillen qua institutionele make-up van nationaal kapitalistische economieen:
– The social embeddedness model, het voorbeeld is Japan,
– The power resource model, het voorbeeld is Zweden,
– The historical-institutionalist model, het voorbeeld is Duitsland,
– The rationalist-functionalist model, VS en UK.
Het laatste is het A-A,
de eerste 3 broertjes en zusjes binnen de Rijnlandse familie ?!

Tussendoor een uitwerking van de laatste opmerking:

Rijnland theoreticus van de 30-er jaren Wilhelm Ropke stelt dat de Westerse wereld om een vrij economisch en maatschappelijk systeem te behouden telkens opnieuw van 4 vragen uit moet gaan:
1. de Ordeningsvraag, die zoekt naar een natuurlijke ordening die zorgt voor vaste randvoorwaarden van het vrije marktsysteem,
2. de Sociale vraag, die zoekt naar een uitgebalanceerde sociale politiek, vanwege probleem dat kan gaan ontstaan voor de echte onderklasse vanwege de onvolkomenheden in een marktsysteem,
3. de Politiek vraag, die zich bezig houdt met de machtsverdeling. Het politieke evenwicht en de gebalanceerde besluitvorming vraagt juist ook in een democratie telkens om onze aandacht,
4. de Moreel-vitale vraag, de vraag of mensen moreel en geestelijk in goede staat verkeren.

In het verlengde van de 4 vragen van Ropke zaten in het Rijnlands Manifest van Jurgen Moerman op het 3GRC en in de analyse van de crisis van Piet Moerman 4 antwoorden / oplossingsrichtingen / aspecten van ‘het Huis op orde’:
1. Techno-economische potentie
2. Maatschappelijk draagvlak
3. Sociaal-politieke transparantie
4. een Cultuurhistorisch referentiekader

De eerste 3 van de 4 modellen in het artikel van deze posting
– lopen parallel met de 4 vragen van Ropke
– scoren mijns inziens ieder relatief (in vgl. met de andere landen en de andere aspecten) het beste op een de 4 aspecten van Piet Moerman:
– Het Duitse model, The historical-institutionalist model, de Duitse variant van het Rijnlandse ‘scoort relatief goed op’ aspect 1, Technisch economische potentie 
– Het Zweedse model, The power resource model, de Zweedse variant van het Rijnlandse ‘scoort relatief goed op’ aspect 2, Maatschappelijk draagvlak
– Het Japanse model, The social embeddedness model, de Japanse variant van het Rijnlandse ‘scoort relatief goed op’ aspect 4, Cultuurhistorisch referentiekader.

Vervolgens gaat het artikel uitgebreid kritisch in op het beroemde artikel van Hall en Soskice over Liberal Market Economies (LME) en Coordinated Market Economies (CME), A-A vs R. Vervolgens gaat het over 4 centrale thema’s in het debat over het artikel van Hall en Soskice.

Het voorlaatste hoofdstuk pleit voor ‘dynamic commonalities’ i.p.v. ‘static variety”. Het laatste hoofdstuk probeert een nieuw paradigma voor het debat over Vormen van Capitalisme, ik zou zeggen: meer netwerk-achtig.

Boeiend materiaal, waarvan er nog meer is op de website van het Max Planck Instituut…

You may also like...

1 reactie

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *